Algemene voorwaarden in B2B litigation
In een recente uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden (24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3898) komen diverse voor de B2B-litigationpraktijk relevante onderwerpen aan de orde in verband met algemene voorwaarden:
- toepasselijkheid;
- vernietigbaarheid;
- vervalbeding.
Aan de hand van een bespreking van het arrest van het Hof komen deze kwesties hierna aan de orde.
De casus
Appellant heeft een akkerbouw- en een veeteeltbedrijf. Agrifirm is een producent en leverancier van landbouwbenodigdheden. Partijen deden jarenlang zaken met elkaar. Agrifirm leverde onder andere veevoer aan appellant. Ook adviseerde Agrifirm appellant over de samenstelling van het veevoer.
Agrifirm heeft in de periode van mei 2020 tot en met mei 2022 een totaalbedrag van € 142.755,39 gefactureerd met betrekking tot haar werkzaamheden en leveringen. Appellant heeft deze facturen niet betaald. Agrifirm heeft conservatoir beslag gelegd en betaling gevorderd van de facturen.
Appellant erkent dat zij het bedrag van de facturen aan Agrifirm verschuldigd is. Zij stelt echter dat zij een tegenvordering heeft en beroept zich op verrekening. Appellant is van mening dat zij gezondheidsproblemen heeft ondervonden bij haar koeien door verkeerde voeradviezen van Agrifirm waardoor zij schade heeft geleden. Zij heeft bij wijze van tegenvordering gevorderd voor recht te verklaren dat Agrifirm wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van het geleverde voer en de verstrekte voeradviezen, en Agrifirm te veroordelen om de als gevolg daarvan geleden schade, nader op te maken bij staat, aan haar te vergoeden.
De rechtbank heeft de vorderingen van Agrifirm grotendeels toegewezen en die van appellant afgewezen. Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Agrifirm betwist ook in hoger beroep dat sprake is van wanprestatie. Maar los daarvan stuit de vordering van appellant volgens Agrifirm af op haar algemene voorwaarden. Deze bevatten een beding op grond waarvan een eventueel recht op schadevergoeding na verloop van bepaalde tijd vervalt (het vervalbeding) en een beding op grond waarvan eventuele aansprakelijkheid van Agrifirm wordt beperkt (het exoneratiebeding). Verder sluiten de algemene voorwaarden ook de mogelijkheid van verrekening uit.
Gelet op deze verweren van Agrifirm beoordeelt het hof eerst of Agrifirms algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, wat dat betekent.
Vormen de algemene voorwaarden onderdeel van de tussen partijen gemaakte afspraken?
De vraag of de toepasselijkheid van algemene voorwaarden is overeengekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de algemeen geldende bepalingen over aanbod en aanvaarding en de totstandkoming van rechtshandelingen. Daarbij komt het aan op alle omstandigheden van het gegeven geval (HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1033).
Het is ex art. 150 Rv aan de gebruiker van de algemene voorwaarden om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de wederpartij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft aanvaard.
Tegen deze achtergrond oordeelt het hof als volgt. Vaststaat dat Agrifirm gedurende de jaren veelvuldig facturen aan appellant heeft toegestuurd met daarop een verwijzing naar de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden.
Alhoewel het achteraf op een factuur van toepassing verklaren van algemene voorwaarden er in beginsel niet toe kan leiden dat deze onderdeel uit gaan maken van een al gesloten overeenkomst, kan het stelselmatig verwijzen naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op facturen – zonder dat daartegen geprotesteerd wordt – er onder omstandigheden wel toe leiden dat deze van toepassing worden op toekomstige handelstransacties (HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1390).
Relevante omstandigheden daarbij kunnen zijn de gebruiken in de branche, de professionaliteit van partijen, de bestendigheid van de handelsrelatie en de formulering van het verwijzingsbeding.
In dit geval zijn beide partijen professionele ondernemers.
Dat appellant een “kleine” maatschap drijft, doet hier volgens het hof niet aan af. Zij voert bedrijfsmatig een agrarische onderneming zodat er geen aanleiding is om haar niet als professionele ondernemer aan te merken. Het hanteren van algemene voorwaarden is in de branche gebruikelijk. Partijen deden al lange tijd en op zeer regelmatige basis zaken met elkaar. Vanaf 2011 tot begin 2023 gaat het om honderden facturen die Agrifirm aan appellant heeft gestuurd, waardoor er sprake was van een bestendige handelsrelatie.
Uit de kopieën die Agrifirm heeft overgelegd, kan volgens het hof worden opgemaakt dat het overgrote deel van de facturen een voldoende leesbare verwijzing naar de algemene voorwaarden bevat dan wel dat de algemene voorwaarden voldoende leesbaar op de achterzijde zijn afgedrukt of op een separate bladzijde bij de factuur zijn gevoegd. Appellant heeft nooit geprotesteerd tegen de toepasselijk verklaring van de algemene voorwaarden.
Onder deze omstandigheden moet volgens het hof worden aangenomen dat appellant ruim voordat de problemen in de samenwerking ontstonden (stilzwijgend) de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op haar handelsrelatie met Agrifirm heeft aanvaard en dat deze van toepassing zijn geworden op de rechtsverhouding tussen partijen.
Zijn de algemene voorwaarden vernietigbaar omdat Agrifirm appellant niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen?
Subsidiair heeft appellant een beroep gedaan op vernietiging van de algemene voorwaarden omdat deze algemene voorwaarden niet (tijdig) aan haar ter hand zijn gesteld (art. 6:233 sub b BW).
Uitgangspunt is dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand moeten zijn gesteld (art. 6:234 lid 1 BW, tenzij er sprake is van een ‘grote ondernemer’, zoals bedoeld in art. 6:235 BW).
De algemene voorwaarden zijn meermaals ter hand gesteld (omdat deze staan afgedrukt op de achterzijde van een groot aantal facturen dan wel afzonderlijk zijn bijgevoegd) én dit is gebeurd voordat de gestelde problemen met de koeien in 2018 zich voordeden, waar appellant Agrifirm aansprakelijk voor houdt.
Daarbij komt volgens het hof dat Agrifirm als een ‘dienstverrichter’ in de zin van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L 376 van 27.12.2006) kan worden aangemerkt.
In die hoedanigheid kan een dienstverlener als Agrifirm ook via art. 6:230c BW aan haar informatieplicht voldoen en dat heeft zij gedaan door te verwijzen naar haar website waarop de algemene voorwaarden werden vermeld (zie W.L. Valk en J.J. Valk over het begrip ‘dienstverrichter’ en de dan geldende wijze van informatieverstrekking bij algemene voorwaarden, Tekst & Commentaar BW., 2025, commentaar op art. 6:230a BW en art. 6:230c BW).
Agrifirm heeft in dit geval op haar facturen naar haar website verwezen en heeft de algemene voorwaarden toegankelijk gemaakt op haar website.
Is het vervalbeding waar Agrifirm een beroep op doet onredelijk bezwarend en/of is een beroep daarop door Agrifirm naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
Zoals hiervoor vermeld, bevatten de algemene voorwaarden een vervalbeding. Op grond van dit beding vervalt het recht van appellant op schadevergoeding uit hoofde van aansprakelijkheid van Agrifirm ter zake van gebreken in geleverde producten en/of dieren en verrichte diensten door verloop van één jaar na het tijdstip van (af)levering.
Volgens Agrifirm is de termijn van één jaar in dit geval (op zijn laatst) op 7 januari 2022 gestart. Omdat appellant pas een vordering tot vergoeding van schade heeft ingesteld als onderdeel van de conclusie die zij op 22 februari 2023 in deze procedure heeft genomen, is de termijn van één jaar overschreden en is het eventuele recht van appellant op schadevergoeding vervallen, aldus Agrifirm.
Appellant brengt daartegen in, dat dit vervalbeding een onredelijk bezwarend beding is dat moet worden vernietigd op grond van de richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenzaken in combinatie met artikel 6:233 sub a BW. Zij voert aan dat haar via de reflexwerking een beroep toekomt op deze richtlijn omdat zij feitelijk gelijk te stellen is met een consument.
Zij wijst er verder op dat het vervalbeding op grond van artikel 6:237 sub h BW, dat van toepassing is in consumentenzaken, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Appellant beroept zich op reflexwerking en voert daartoe aan dat i) partijen niet gelijkwaardig zijn (omdat appellant een kleine maatschap is met nagenoeg geen personeel, terwijl Agrifirm een grote ondernemer is met een omzet van bijna € 2.5 miljard), en ii) appellant zich tegenover Agrifirm in een zeer zwakke onderhandelingspositie bevindt, zeker nu er maar vijf tot zeven voerleveranciers in de Nederlandse markt zijn.
In dit verband is relevant een arrest van de Hoge Raad van 8 september 2023, waarin de Hoge Raad heeft bevestigd dat reflexwerking mogelijk is bij kleine rechtspersonen die zich materieel niet van een consument onderscheiden, en daarbij heeft overwogen dat daarvan bijvoorbeeld sprake kan zijn als de wederpartij een overeenkomst weliswaar in de uitoefening van haar beroep of bedrijf heeft gesloten, maar deze overeenkomst geen betrekking heeft op de eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197). Ook in die gevallen kan de omstandigheid dat het beding voorkomt op de zwarte (art. 6:236 BW) of de grijze (art. 6:237 BW) lijst worden betrokken bij de beoordeling of het beding voor die wederpartij onredelijk bezwarend is.
Het hof oordeelt dat appellant de overeenkomst met Agrifirm in de uitoefening van haar beroep of bedrijf heeft gesloten en deze overeenkomst ook betrekking heeft op de eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten van appellant. Het ging namelijk om levering door Agrifirm van veevoer (en in verband daarmee te leveren voer-/rantsoenadvies) aan appellant als veehouder.
Dat neemt niet weg dat bedingen die, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend zijn voor de wederpartij, vernietigbaar zijn op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW (tenzij er sprake is van een grote onderneming, zoals bedoeld in art. 6:235 lid 1 sub a of sub b BW).
Wat betreft de in dat verband door appellant aangevoerde omstandigheden overweegt het hof als volgt.
Door partijen is niet over de algemene voorwaarden onderhandeld. Appellant wijt dat aan haar zwakke onderhandelingspositie. Agrifirm heeft daar tegenin gebracht dat zij ook wel maatwerkovereenkomsten aangaat, waarbij wordt afgeweken van de algemene voorwaarden. Maar appellant heeft dit eenvoudigweg nooit aan de orde gesteld. Daarbij komt, aldus Agrifirm, dat de algemene voorwaarden gebruikelijk zijn in de branche. Appellant heeft daar volgens het hof niets tegen ingebracht.
Appellant wijst erop dat zij geen kennis en ervaring heeft met betrekking tot het juridisch beoordelen van algemene voorwaarden en de juridische gevolgen daarvan niet kon overzien. Maar ook dat kan haar naar het oordeel van het hof niet baten. Het is aan appellant, als professionele ondernemer, om zich waar nodig van de vereiste juridische bijstand te laten voorzien. De gevolgen van haar keuze om dat niet te doen, komen in beginsel voor haar rekening en risico.
Voor wat betreft de wederzijds kenbare belangen, betoogt appellant ten slotte nog dat Agrifirm niet wordt benadeeld in haar mogelijkheid verweer te voeren als een langere termijn dan één jaar dan wel de wettelijke verjaringstermijn van toepassing is, terwijl verkorting van de termijn voor haar grote gevolgen heeft.
Agrifirm brengt daar tegenin dat zij er wel degelijk belang bij heeft dat er snel duidelijkheid ontstaat of een zakelijke partij een procedure tegen haar wil starten. Dit om tijdig in te kunnen grijpen om te voorkomen dat relevante informatie en/of data verloren gaan en ook om voor zover nodig schadebeperkende maatregelen te kunnen nemen. Dit geldt volgens haar te meer nu het werk met levende have betreft.
Deze belangen acht het hof gerechtvaardigd. Het is dus volgens het hof niet zo dat Agrifirm bij haar beroep op het vervalbeding geen enkel rechtens te respecteren belang heeft. Daarbij acht het hof relevant dat het vervalbeding appellant niet ieder recht op schadevergoeding ontneemt. Het vereist alleen dat appellant tijdig actie onderneemt als zij constateert dat zij schade lijdt, waarvoor Agrifirm naar haar mening aansprakelijk is. De periode van één jaar komt het hof daarbij niet onredelijk kort voor.
Ten slotte doet appellant een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Dat wordt niet spoedig aangenomen.
Zie onder andere HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153, r.o. 3.1.2: “Gelet daarop en tegen de achtergrond van de stelling van Bart’s Retail dat zij het gebrek kende noch behoorde te kennen, welke stelling het hof niet heeft verworpen, alsmede in het licht van het vaststaande feit (zie hiervoor in 2.1 onder (xv)) dat de sanering van het winkelpand eind april 2013 was afgerond, heeft het hof met zijn oordeel dat het beroep van Bart’s Retail op de exoneratiebedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de terughoudendheid miskend waarmee de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast, dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De door het hof genoemde omstandigheden dat de tekortkoming de kern van de prestatie betreft, dat zonder terbeschikkingstelling van het gehuurde niet alleen aan de huurovereenkomst maar ook aan de franchiseovereenkomst elke betekenis komt te ontvallen en dat Bart’s Retail gedurende een bepaalde periode [verweerders] wekelijks schadeloos heeft gesteld, maken onvoldoende duidelijk waarom het beroep op de exoneratiebedingen in de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”
Het hof verwerpt het beroep op art. 6:248 lid 2 BW. Appellant heeft op 7 januari 2022 aan Agrifirm te kennen gegeven dat zij schade heeft geleden en dat zij van mening is dat Agrifirm daarvoor verantwoordelijk is. Ook als op dat moment van appellant gelet op de relatie en de stand van gesprekken tussen partijen niet verwacht kon worden een vordering in rechte in te stellen, valt volgens het hof niet in te zien waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de vervaltermijn van een jaar wel op die datum een aanvang te laten nemen. Daarbij weegt het hof mee dat appellant niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd waarom het voor haar niet mogelijk was om binnen één jaar na die datum een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen Agrifirm.
In het kader van het beslagrekest verwijst Agrifirm naar de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden. Datzelfde geldt voor de dagvaarding van Agrifirm van november 2022. Naar het oordeel van het hof had het in ieder geval bij ontvangst van deze stukken op de weg van de juridisch adviseur van appellant, gelegen om de algemene voorwaarden erop na te slaan en, gelet op de daarin opgenomen vervaltermijn, tijdig de benodigde actie te ondernemen. Appellant had toen nog ruim drie maanden respectievelijk één maand om een dergelijke vordering in te stellen.
Conclusie
Agrifirm kan zich volgens het hof op het vervalbeding in de algemene voorwaarden beroepen. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of appellant aanspraak kan maken op schadevergoeding van Agrifirm voor gebreken in door Agrifirm aan haar geleverde producten en/of diensten.
Want ook als sprake is van de door appellant gestelde wanprestatie, is haar recht op vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade komen te vervallen, omdat appellant te laat een vordering heeft ingesteld.
Nu dat recht is vervallen, kan ook het beroep dat appellant heeft gedaan op opschorting haar niet baten. Een opschortingsrecht kan alleen maar bestaan als de schuldenaar (in dit geval appellant) een opeisbare vordering heeft op de oorspronkelijk schuldeiser (Agrifirm).
Keywords
Auteur(s)
