08 Aug 2025
blog

Geen bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement van een geldwaardetransportbedrijf: waarom niet?

Blog

Wanneer een vennootschap failliet gaat, blijven de schuldeisers vaak met lege handen achter. In het faillissement van RCCS kregen onlangs twee schuldeisers, Hanos en Goos, uiteindelijk slechts circa 3,4% van hun vorderingen uitbetaald. Zij stelden daarop de (oud-)bestuurders van RCCS persoonlijk aansprakelijk voor de schade. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt echter dat de bestuurders geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat de bestuurders niet aansprakelijk werden bevonden. Wat speelde hier precies?

Achtergrond

 

RCCS verzorgde geldtransporten waarbij zij onder andere sealbags met contant geld ophaalde bij haar opdrachtgevers (CiT-diensten). Vervolgens werd het geld geteld en afgestort bij DNB. De tegenwaarde werd door DNB op een aparte rekening van RCCS bij de Duitse Privatbank bijgeschreven. RCCS hield daarnaast, voor haar bedrijfsvoering, een bedrijfsrekening aan bij de Rabobank.

 

Na het faillissement van een andere geldtransporteur, SecurCash, op 9 januari 2019, nam RCCS een deel van haar dienstverlening over. RCCS liep tegen verschillende problemen aan, zoals het onboarding proces van haar klanten bij Privatbank. Dit gold ook voor Hanos en Goos (hierna: “Hanos c.s.”). Om die reden werden de klantgelden in de periode van begin tot medio 2019 niet bij Privatbank bijgeschreven, maar tijdelijk op de bedrijfsrekening van RCCS bij de Rabobank. Hierdoor liepen de geldstromen van RCCS en haar klanten door elkaar. Verliezen van RCCS in de eerste helft van 2019 werden met de klantgelden van onder andere Hanos c.s. opgevangen.

 

Sinds medio 2019 werden de CiT-gelden weer op de aparte rekening gestort en uitbetaald aan klanten met de oudste aanspraken. Eind 2019 heeft Privatbank de overeenkomst tegen maart 2022 opgezegd. RCCS is er niet in geslaagd om voor de diensten die Privaatbank leverde (waaronder het afstortenn van de CiT-gelden) een andere bank te vinden. In februari 2022 eiste DNB van RCCS dat alle CiT-achterstanden werden terugbetaald. Omdat RCCS daartoe niet in staat was, vroeg zij surseance van betaling aan en werd zij op 7 maart 2022 failliet verklaard. Hanos c.s. ontvingen via het faillissement uiteindelijk slechts 3,4% van hun vorderingen en stelde de (voormalig) bestuurders van RCCS persoonlijk aansprakelijk voor het onbetaald gebleven deel van hun vorderingen, te weten respectievelijk € 299.404 en € 42.443,70.

 

Geschil

 

Volgens Hanos c.s. had het bestuur van RCCS onrechtmatig gehandeld, omdat:

  1. zonder vergunning betaaldiensten zouden zijn verricht in strijd met de Wet op het financieel toezicht (Wft);
  2. klantgelden niet gescheiden werden gehouden;
  3. klantgelden zijn aangewend ter dekking van verliezen;
  4. het bestuur te weinig heeft gedaan om een andere bank te vinden;
  5. er geen adequate verzekering was afgesloten.

Zij meenden dat de voormalig bestuurders daarvoor persoonlijk aansprakelijk zijn, omdat hen een persoonlijk ernstig verwijt zou treffen.

 

In eerste aanleg wees de Rechtbank Amsterdam de vorderingen af. Hanos c.s. ging in hoger beroep en voerden 12 grieven aan.

 

Juridisch kader

 

Het Gerechtshof Amsterdam (hierna: “Hof”) beoordeelt de vorderingen aan de hand van vaste jurisprudentie: het Beklamel-arrest en het arrest Ontvanger/Roelofsen. Bij toepassing van de Beklamel-norm komt het erop neer of de bestuurder namens de rechtspersoon bij het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de eventuele schade. Blijkens Ontvanger/Roelofsen kan ook een persoonlijk verwijt worden gemaakt indien de bestuurder weet of behoorde te weten dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg had dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen kon voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade.

 

Vergunningsplicht?

 

Volgens Hanos c.s. had RCCS een vergunning nodig als betaaldienstverlener. Het Hof oordeelde echter dat RCCS slechts gelden ophaalde en vervolgens afstortte bij DNB. Pas daarna werd de tegenwaarde door DNB op haar bankrekening bijgeschreven. Deze werkwijze valt volgens het Hof niet onder de vergunningplicht van artikel 2:3b lid 1 Wft.

 

Het voorgaande vindt volgens het Hof steun op grond van punt 1 van Bijlage I van de Richtlijn (EU) 2015/2366 van 25 november 2015 (hierna: “Bijlage I Richtlijn” en “Richtlijn”).

 

Ook kan de dienstverlening van RCCS niet worden aangemerkt als geldtransfer, omdat RCCS niet de contanten bijschreef op de rekening van de begunstigde. De tegenwaarde van de ontvangen gelden werd door DNB overgemaakt en door Privatbank bijgeschreven op de rekening van RCCS. Zodoende zijn de handelingen van RCCS ook niet te kwalificeren als een geldtransfer zoals bedoeld in rechtsoverweging 9 van de considerans van de Richtlijn.

 

Zelfs wanneer RCCS vergunningsplichtig zou zijn geweest, dan kan de (voormalig) bestuurders nog geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, overweegt het Hof ten overvloede. DNB kan bekend worden verondersteld met de situatie van RCCS gelet op haar nauwe betrokkenheid bij de CiT-diensten en bij de overname van SecurCash. Daarnaast hebben de voormalig bestuurders geen signalen van DNB ontvangen waaruit zou blijken dat een vergunning noodzakelijk was. De bestuurders treft daarom geen persoonlijk ernstig verwijt, zodat de grief faalt.

 

Contractuele verplichtingen en onzorgvuldig beleid?

 

Volgens Hanos c.s. was RCCS contractueel verplicht om klantgelden gescheiden te houden. Conform het Haviltex-criterium oordeelt het Hof dat partijen enkel zijn overeengekomen dat RCCS het geld zou ophalen, tellen en afstorten bij een door haar gekozen bank. Er was geen afspraak gemaakt over vermogensscheiding. Een andere uitleg is onvoldoende onderbouwd, aldus het Hof. Evenmin is onzorgvuldig gehandeld, omdat partijen hierover overeenstemming hadden bereikt.

 

Lichtvaardige overname?

 

Ook de stelling dat de overname van SecurCash lichtvaardig was, wordt door het Hof niet aangenomen. De overname vond plaats op verzoek van DNB en betrokken banken, onder tijdsdruk en met een reële verwachting dat de dienstverlening zou worden voortgezet. Hanos c.s. heeft ook dit punt onvoldoende weerlegd.

 

Overige grieven

 

De stelling dat RCCS niet de benodigde verzekering had afgesloten wordt verworpen. Er was namelijk wel een geldtransportverzekering. De schade is bovendien niet ontstaan door verlies tijdens transport, maar vanwege het faillissement. Ook het verwijt dat onvoldoende is gedaan om een andere bank te vinden nadat Privatbank de overeenkomst tussen haar en RCCS opzegde, werd volgens het Hof onvoldoende onderbouwd.

 

Conclusie

 

Het arrest laat zien dat de lat voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders hoog ligt. Zelfs als bepaalde keuzes, het gebruik van de CiT-gelden van de klanten van de onderneming om de verliezen op te vangen, worden gemaakt, is niet snel sprake van een persoonlijk ernstig verwijt. Door een verplichting in de overeenkomst op te nemen, waaronder de verplichting om CiT-gelden van klanten af te scheiden van het vermogen van de ondernemeing, kan wellicht worden voorkomen dat een schuldeiser in een vergelijkbare situatie belandt als Hanos c.s. in dit arrest. Was die verplichting opgenomen geweest, dan was het oordeel van het Hof mogelijk anders geweest.

 

 

Deze bijdrage is eerder verschenen op HERO 2025 / B-049

Keywords

Beklamel
Bestuurdersaansprakelijkheid
Ontvanger/Roelofsen
Wft

Auteur(s)

Michael Kolbrink

is advocaat bij de Advocaten van van Riet

LinkedIn