Bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending administratieplicht ook buiten faillissement mogelijk
Blog
Het voeren van een deugdelijke administratie behoort tot de kerntaken van het bestuur. Schending van deze administratieplicht door het bestuur van een vennootschap kwalificeert als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en kan, indien de vennootschap failliet gaat, leiden tot aansprakelijkheid van het bestuur voor het gehele boedeltekort. Op grond van het bewijsvermoeden van artikel 2:138/2:248 BW wordt dit kennelijk onbehoorlijk bestuur vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn, waarbij het aan de bestuurder is om dat vermoeden te ontzenuwen.
Ook buiten faillissement kan het niet-naleven van de administratieplicht vergaande gevolgen hebben voor bestuurders en bijvoorbeeld leiden tot aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. Dat blijkt uit de in dit blog besproken recent gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 maart 2024, waarin de administratieplicht centraal staat.
De feiten
Park De Zeegser Duinen B.V. (“PDZD”) ontwikkelt een recreatiepark in Zeegse. Daartoe sluit zij op 27 september 2019 een kaderovereenkomst met Moduluxe B.V. (“Moduluxe”) voor de (af)bouw van in totaal 35 recreatiewoningen. Voor de bouw en afbouw van die recreatiewoningen zullen afzonderlijke opdrachten gegeven worden. De aanneemsom zal vervolgens in zes termijnen betaald worden.
Op 4 oktober 2021 meldt Moduluxe (althans één van haar (indirecte) bestuurders) dat zij haar werkzaamheden voor PDZD niet zal kunnen voortzetten wegens een gebrek aan financiële middelen. Op dat moment zijn 17 van de 35 woningen nog niet voltooid. Daaropvolgend vinden gesprekken tussen Moduluxe en PDZD plaats en wordt (financiële) openheid van zaken gegeven, waarbij al snel duidelijk wordt dat Moduluxe “leeg” is. PDZD ontbindt de overeenkomst en laat de resterende woningen afbouwen door een andere aannemer.
Uit bankmutaties, die door PDZD aan Moduluxe zijn verstrekt, blijkt dat 89,5% van de inkomsten van Moduluxe afkomstig is van PDZD. Moduluxe blijkt daarnaast nog van zeven andere vennootschappen betalingen te ontvangen, waarvan vijf gelieerd zijn aan één van de (indirecte) bestuurders van Moduluxe. Voor die vennootschappen worden ook werkzaamheden verricht. Van die werkzaamheden is geen afzonderlijke projectadministratie bijgehouden; evenmin zijn op basis van de administratie de grondslagen van betalingen die, blijkens de bankmutaties, aan deze en andere (gelieerde) derden gedaan zijn inzichtelijk.
PDZD stelt de bestuurder (en de indirecte bestuurder) van Moduluxe aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad. Moduluxe heeft, zo stelt PDZD, werkzaamheden verricht voor aan haar (indirect) bestuurder gelieerde vennootschappen, zonder dat zij daarvoor een reële vergoeding ontving en zonder dat zij daarvan een adequate projectadministratie heeft bijgehouden. Bij de uitvoering van die werkzaamheden is deels gebruikgemaakt van dezelfde materialen en dezelfde onderaannemers als die welke gebruikt zouden moeten worden voor PDZD. Bedragen die PDZD aan Moduluxe betaalde, en die Moduluxe had moeten aanwenden om haar werkzaamheden voor PDZD uit te voeren, werden daarmee feitelijk vrijwel uitsluitend gebruikt om de werkzaamheden voor gelieerde vennootschappen te bekostigen, aldus nog steeds PDZD. De bestuurder en indirect bestuurder hebben door deze handelswijze toegelaten, en bewerkstelligd, dat Moduluxe haar verplichtingen jegens PDZD niet meer zou kunnen nakomen. Zij hebben daarmee jegens PDZD onrechtmatig gehandeld en hen treft in dat verband ook persoonlijk een ernstig verwijt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat, als een vennootschap tekortschiet, het in beginsel ook alleen de vennootschap is die aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ook de bestuurder van de vennootschap aansprakelijk. Daarvoor is vereist dat aan die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In dit geval is dat zo, oordeelt de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de bestuurder, en de indirect bestuurder, de op hen liggende administratieplicht hebben verzaakt. Die administratieplicht volgt uit 2:10 BW en houdt – kort gezegd – in dat het bestuur te allen tijde een deugdelijke administratie moet bijhouden, waaruit de rechten en plichten van de vennootschap blijken. Dat is hier niet gebeurd. Zo werden werkzaamheden verricht voor aan de bestuurder gelieerde vennootschappen zonder dat daarvan een deugdelijke projectadministratie werd bijgehouden. Ook zijn aanzienlijke betalingen verricht aan (gelieerde) derden zonder dat daarvoorvoldoende rechtvaardiging bestond. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat de werkzaamheden voor PDZD niet voltooid konden worden. Daarmee is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van PDZD als de grootste opdrachtgever van Moduluxe, terwijl voorzienbaar was dat deze wijze van bedrijfsvoering tot benadeling van PDZD zou leiden. Daarvan valt de bestuurder ook een persoonlijk ernstig verwijt te maken. Voor de vaststelling van de omvang van de schade wordt naar de schadestaatprocedure verwezen.
Feitelijk is hier dus sprake van een soort van selectieve betaling, waarbij aanzienlijke betalingen aan gelieerde vennootschappen werden gedaan zonder dat daarvoor een afdoende rechtvaardiging bestond. Dat had uiteindelijk als gevolg dat Moduluxe haar werkzaamheden voor PDZD niet kon voltooien. Dat PDZD door deze handelswijze benadeeld zou worden, was volgens de rechtbank bovendien voorzienbaar voor Moduluxe.
Conclusie
Het oordeel van de rechtbank is om meerdere redenen het bespreken waard. Hoewel het (vermeende) verzaken van de administratieplicht door een bestuurder een omstandigheid is die relatief vaak in bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures aan de bestuurder tegen wordt geworpen, gebeurt dat veelal in gevallen van faillissement, waarin de bestuurder door de curator wordt aangesproken. Staat vast dat een bestuurder zijn administratieplicht niet is nagekomen, dan staat namelijk ook kennelijk onbehoorlijk bestuur vast, en wordt dat onbehoorlijk bestuur vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Deze uitspraak laat zien dat het niet nakomen van de administratieplicht ook buiten gevallen van faillissement grote gevolgen kan hebben. Weliswaar leidt het niet bijhouden van een deugdelijke administratie op zichzelf nog niet meteen tot de conclusie dat een bestuurder ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens derden, maar als er daarnaast ook sprake is van bijkomende omstandigheden – zoals voorzienbare benadeling van schuldeisers, zoals hier het geval is – dan kan dat snel anders worden.
