Schorsing van besluiten in kort geding: hoe Vitesse haar proflicentie behield
Blog
Op 3 september heeft het hof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in het turbo-spoedappel van voetbalclub Vitesse tegen de KNVB. De club vorderde schorsing van het besluit van de licentiecommissie van de KNVB en de bevestiging daarvan door de beroepscommissie, op grond waarvan de proflicentie van Vitesse definitief werd ingetrokken. Daarnaast vorderde Vitesse toelating tot de betaald voetbalcompetitie in het seizoen 2025-2026. De zaak kreeg veel media-aandacht.
In eerste aanleg weigerde de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen, maar het hof schorste de besluiten tot onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie en veroordeelde de KNVB om Vitesse onmiddellijk weer toe te laten tot de betaald voetbalcompetitie. Dit kwam voor velen als een verrassing, zeker omdat het seizoen inmiddels was begonnen.
Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter en het arrest van het hof leid ik een paar interessante vragen af. Hoe ver mag een voorzieningenrechter eigenlijk gaan bij het toetsen van besluiten van organen van rechtspersonen? En in hoeverre kunnen belangen van derden daarbij worden meegewogen? In dit blog sta ik bij deze vragen stil.
Wat is er gebeurd?
Bij besluit van 10 juli 2025 heeft de licentiecommissie van de KNVB de licentie van Vitesse om deel te nemen aan het betaald voetbal ingetrokken. Vitesse zou de afgelopen jaren in ernstige en structurele mate (de doelstelling van) het licentiesysteem hebben overtreden en niet bereid zijn geweest en/of in staat zijn gebleken om zich te voegen naar de regels van het licentiesysteem. Op grond van deze regels moeten clubs bijvoorbeeld hun financiële administratie tijdig en volledig aan de KNVB aanleveren en een transparante en stabiele organisatiestructuur hebben. De KNVB verweet Vitesse onder meer dat Vitesse onvoldoende transparant was over haar investeerders, waar hun geld vandaan kwam en hun banden met eerdere – door de KNVB afgekeurde – investeerders. Daarnaast zou een vorig jaar opgerichte onafhankelijke stichting die moest bijdragen aan het minimaliseren van de sanctierisico’s en witwasrisico’s niet deugdelijk haar werk kunnen verrichten, en halverwege het seizoen zijn ontbonden. Dit waren slechts enkele van de verwijten van de KNVB.
Het besluit heeft grote gevolgen. Niet alleen voor Vitesse, die commerciële belangen heeft bij het deelnemen aan de competities betaald voetbal en bij uitsluiting daarvan vermoedelijk zelfs failliet zal gaan. Maar ook voor de supporters, die de club waarmee zij al tientallen jaren verbonden zijn niet meer zouden kunnen zien spelen.
Kader schorsing van een besluit
De door Vitesse gevorderde schorsing van de besluiten is een voorlopige voorziening. Met betrekking tot een besluit van een orgaan van een rechtspersoon kan de voorzieningenrechter – of in hoger beroep het hof – alleen zo een voorlopige voorziening treffen als de bodemrechter het betreffende besluit waarschijnlijk zal vernietigen. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW kan de rechter een besluit vernietigen wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (lid a), wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW (lid b) of wegens strijd met een reglement (lid c).
Omdat het hier een kort geding betreft, moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn in zijn beoordeling. Hij mag in het algemeen niet op de stoel van het bevoegde orgaan gaan zitten, wat betekent dat de besluiten van de beide commissies niet opnieuw worden genomen. De voorzieningenrechter beoordeelt of de commissies in redelijkheid en naar billijkheid tot de besluiten konden komen. Hierbij toetst zij of de commissies alle in aanmerking komende belangen hebben afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht hebben genomen bij de relevante belangenafweging.
In de praktijk lijkt de voorzieningenrechter hier wisselend mee om te gaan. Zo wees de voorzieningenrechter in Den Haag recent een schorsingsverzoek van een geroyeerd lid van een studentenvereniging af. Het ging om ontzetting wegens drugsgebruik. Uitgaande van de marginale toets die geldt bij de vernietiging van besluiten van rechtspersonen, verwachtte hij dat de bodemrechter het ontzettingsbesluit niet zou vernietigen. De vereniging had in redelijkheid het betreffende stelsel van regels kunnen vaststellen. Daarbij woog het belang van de vereniging bij het handhaven van een zero tolerance-beleid op het gebied van drugs zwaarder dan het persoonlijke belang van de student om weer op de vereniging te worden toegelaten (ECLI:NL:RBDHA:2025:17355). Zie voor een ander (afwijzend) voorbeeld: ECLI:NL:RBDHA:2025:2330.
In een ander kort geding schorste de voorzieningenrechter in Midden-Nederland de ontslagbesluiten van een bestuurder van twee vennootschappen, omdat bij de besluitvorming onder meer niet was voldaan aan de hoorplicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat de besluiten waarschijnlijk vernietigbaar waren, omdat de bestuurder vooraf geen invloed kon uitoefenen op haar ontslag (ECLI:NL:RBMNE:2024:6838). Een ander voorbeeld waarin de gevorderde schorsing werd toegewezen is (ECLI:NL:RBMNE:2017:1074).
Rechtszekerheid vs billijkheid
Op de achtergrond spelen in deze zaak naar mijn mening twee beginselen een belangrijke rol: De rechtszekerheid en de billijkheid. In het algemeen: rechtspersonen en betrokkenen hebben er belang bij dat bevoegdelijk genomen besluiten van een orgaan van een rechtspersoon niet gemakkelijk door een rechter kunnen worden aangetast, zeker niet in kort geding (de rechtszekerheid). Tegelijkertijd moet – vooral voor degenen die door het betreffende besluit worden geraakt – ruimte blijven bestaan voor maatwerk en kunnen onbillijke besluiten worden aangetast (de billijkheid).
Meer specifiek in dit geval: de KNVB heeft belang bij het voorkomen van onzekerheid over het ongestoorde verloop van de competitie en behoud van de geloofwaardigheid van haar licentiesysteem. Vitesse heeft, gelet op de ingrijpende gevolgen die het verlies van de licentie heeft voor het voortbestaan van de club, juist belang bij een uitzondering op deze regels.
In deze discussie bij de civiele rechter staat Vitesse, vanwege het terughoudende toetsingskader, met 1 - 0 achter. Zij heeft haar kansen beproefd bij de beroepscommissie van de KNVB. De gang naar de voorzieningenrechter is haar laatste redmiddel.
Standpunt Vitesse
Vitesse voerde twee gronden aan voor de schorsing van de besluiten. Allereerst zouden de besluiten van de licentiecommissie en de beroepscommissie zijn genomen in strijd met de toepasselijke artikelen in het licentiereglement van de KNVB. Zo zou de beroepscommissie bij de behandeling van het beroep in strijd met het licentiereglement niet of nauwelijks aandacht hebben besteed aan het feit dat Vitesse zich in de afgelopen periode structureel heeft ingespannen om met de licentiecommissie in gesprek te komen en aan het feit dat Vitesse inmiddels een plan had opgesteld voor een gezonde toekomst van de club (het zogenaamde ‘Herinrichtingsplan 2025’). Daarnaast zouden de commissies hun besluiten in strijd met het licentiereglement onvoldoende gemotiveerd hebben. Daarmee deed zij dus een beroep op sub c van artikel 2:15 lid 1 BW.
Verder stelde Vitesse dat de besluiten van de licentiecommissie en de beroepscommissie in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Zo zouden de commissies Vitesse ten onrechte meerdere keren gestraft hebben voor dezelfde verwijten, zouden zij niet hebben gemotiveerd welk belang de KNVB bij de besluiten heeft en zouden de maatschappelijke belangen bij behoud van de proflicentie onvoldoende zijn meegewogen.
Derde partijen
In eerste aanleg heeft zich een aantal partijen gevoegd aan de kant van Vitesse. Deze partijen, waaronder de supportersvereniging van Vitesse, stelden dat zij gezamenlijk een groot en breed maatschappelijk belang vertegenwoordigden. Zij benadrukten zowel het persoonlijke belang van iedereen die via hun clubliefde opkomt voor het behoud van de Vitesse als betaaldvoetbalorganisatie, als het commerciële belang van de voegende partijen bij hun samenwerking met de club. In het hoger beroep hebben deze partijen overigens afgezien van voeging.
De voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter weigerde op 8 augustus 2025 de gevraagde voorzieningen (zie ECLI:NL:RBMNE:2025:4265). Volgens de voorzieningenrechter zijn de besluiten – anders dan Vitesse stelde – zorgvuldig voorbereid en uitgebreid gemotiveerd. Vitesse heeft meerdere keren de kans gekregen om orde op zaken te stellen, maar faalde daarin. Het patroon van overtredingen was zó ernstig en structureel dat de zwaarste sanctie (intrekking van de proflicentie) gerechtvaardigd was, aldus de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter overwoog dat hij onder ogen zag dat deze beslissing grote gevolgen had voor de supporters en voor de regio Arnhem als geheel en dat het “Voor iedereen die zich verbonden voelt met Vitesse [zeer moeilijk moet zijn] vanaf de zijlijn [te] moeten toekijken hoe de club in de gevarenzone terecht is gekomen […].”
De rechtszekerheid prevaleert echter, al lijken de schendingen van Vitesse dusdanig structureel en ernstig te zijn geweest dat de voorzieningenrechter wellicht weinig keuze had. Het enkele feit dat een besluit grote gevolgen heeft, is niet voldoende.
Het hof
Het hof komt daarentegen tot een ander oordeel. Zij gaf eerst op 3 september 2025, twee dagen na de mondelinge behandeling een verkort arrest en deelde later op 17 september 2025 een uitvoerig gemotiveerd arrest (zie ECLI:NL:GHARL:2025:5371 en ECLI:NL:GHARL:2025:5708).
In het hoger beroep voerde Vitesse onder meer aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren van Vitesse over onevenwichtigheid van de gevolgde procedures bij de KNVB en haar beroep op het recht op een eerlijk proces. Daarnaast zou de voorzieningenrechter een aantal gestelde schendingen van reglementen van de KNVB ten onrechte niet in zijn beoordeling hebben betrokken.
Het hof oordeelt dat de commissies zich bij de besluitvorming niet volledig aan het licentiereglement hebben gehouden. Vitesse mocht bij de behandeling van haar beroep tegen het besluit van de licentiecommissie onder meer niet tijdig reageren op de inbreng van de licentiecommissie, aanvullende informatie en stukken van de commissie werden pas kort voor of na de mondelinge behandeling beschikbaar gesteld, en bij de afwijking van de gebruikelijke procedure (vanwege de haast om vóór de start van het nieuwe wedstrijdseizoen een beslissing te nemen) is het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende gewaarborgd. Hiermee werden de procedures binnen de KNVB onterecht behandeld alsof het een spoedprocedures waren. Vanwege deze haast is daarnaast onvoldoende meegewogen dat Vitesse bezig is met een beoogde overname door regionale investeerders en dat zij een plan heeft opgesteld om haar organisatie grondig te herzien. Het hof acht het daarom voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met regels over het tot stand komen van besluiten in het licentiereglement.
Het hof vervolgt dat zij onderkent dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal belangrijke punten niet heeft nageleefd, maar dat zij geen reden ziet om te oordelen dat ook tijdens de beroepsprocedure bij de KNVB nog sprake was van een aanhoudend patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, zoals de beroepscommissie wel aannam. Ten onrechte heeft de beroepscommissie bij haar besluitvorming verder teruggekeken dan 3 augustus 2024, de datum waarop de beroepscommissie Vitesses beroep tegen een éérder intrekkingsbesluit gegrond heeft verklaard en oordeelde dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed.
Volgens het hof wegen de belangen van Vitesse bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen gelet op het voorgaande zwaarder dan die van de KNVB. Vitesse loopt bij intrekking van de licentie een groot risico op faillissement en ernstige gevolgen voor spelers, jeugd en supporters. De organisatorische en integriteitsbelangen van de KNVB bij handhaving van de licentieregels zijn weliswaar relevant, maar wegen niet op tegen het onmiddellijke belang van de club.
De billijkheid prevaleert dus bij het hof. Daarbij kon het hof (meer) gewicht toegekend aan de argumentatielijn van Vitesse die zag op de wijze van totstandkoming van de besluitvorming (hoor en wederhoor).
Tot slot
Hoewel rechtszekerheid bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van besluiten een belangrijk beginsel is, laat deze zaak zien dat de rechter ook ruimte kan maken voor maatwerk en billijkheid. Aangezien de voorzieningenrechter en het hof anders oordelen, is duidelijk hoe dun de scheidslijn kan zijn tussen deze beginselen. Vitesse lijkt door het oog van de naald te zijn gekropen en heeft de onvolkomenheden in het besluitvormingsproces in haar voordeel weten te benutten, waardoor het hof deze heeft meegewogen in de belangenafweging. Het kort geding is en blijft in overwegende mate een belangenafweging, waarin ieder argument kan meetellen.
Bij die belangenafweging kunnen belangen van derden worden meegewogen. Opvallend in de uitspraak in eerste aanleg is de aandacht die de voorzieningenrechter aan het eind van zijn vonnis (r.o. 4.30 en 4.31) besteedde aan de gedupeerde supporters van Vitesse. Door dit zo expliciet te benoemen, deed de voorzieningenrechter recht aan de belangen van de gevoegde partijen en liet hij zien dat hij het belangrijk vindt dat zijn vonnis draagkracht heeft binnen de supportersgroep van Vitesse, ook wanneer het vonnis voor hen niet goed uitpakt. Een vonnis moet niet alleen juridisch overtuigen, maar ook maatschappelijk worden begrepen, zeker in zaken waarvoor veel media-aandacht is. Ook in het arrest van het hof hebben de belangen van derden – naar het zich laat inzien – in belangrijke mate gewicht in de schaal gelegd.
Vanwege de onvolkomenheden in het besluitvormingsproces, de zwaarwegende belangen van Vitesse en (derde) betrokkenen bij de club en eerste tekenen van beterschap, lijkt Vitesse – ondanks de nodige (ernstige) schendingen van het licentiereglement in het verleden – toch nog een tweede kans te gaan krijgen.
Vitesse is inmiddels een bodemprocedure gestart en doet voorlopig – tot de bodemrechter uitspraak heeft gedaan – weer mee aan de competitie. In de bodemprocedure ligt de vraag voor of de rechter de geschorste besluiten daadwerkelijk vernietigt. Naar verwachting zal deze uitspraak niet vóór het einde van dit voetbalseizoen worden gedaan, dus Vitesse zal in ieder geval dit jaar nog verzekerd zijn van een plek in de Keuken Kampioen Divisie.
