13 Oct 2025
blog

Samenloop enquêteprocedure en geschillenregeling

Blog

Vanaf 1 januari 2025 is de wettelijke geschillenregeling een verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer. Dat opent mogelijkheden om de geschillenregeling te combineren met de enquêteprocedure. In de parlementaire geschiedenis van de nieuwe geschillenregeling is niet uitgewerkt in welke gevallen dat nodig of nuttig is. De wetgever heeft dat overgelaten aan de praktijk. Deze uitspraak is een voorbeeld van zo’n samenloopgeval.

De feiten

Twee broers zijn elk 50 % aandeelhouders en bestuurders van een vennootschap en zijn al jarenlang ernstig geconflicteerd. Zij hebben mediation geprobeerd, hebben procesafspraken gemaakt, en hebben geprobeerd hun aandelen aan elkaar of aan een derde te verkopen, alles zonder succes. Broer 1 vraagt een onderzoek en onmiddellijke voorzieningen en combineert dat met een uitstotingsverzoek tegen broer 2. Broer 2 betwist niet dat hun relatie is verstoord, maar wel dat dat aan hem te wijten is. Broer 2 doet geen uitstotingsverzoek.

Het oordeel van de Ondernemingskamer op het enquêteverzoek

De Ondernemingskamer stelt vast dat de broers het erover eens zijn dat zij niet meer door één deur kunnen. Op bestuurs- en aandeelhoudersniveau is sprake van een onomkeerbare, onwerkbare situatie. Dat heeft een negatieve impact op de onderneming: van vruchtbaar collegiaal overleg is geen sprake meer, de relatie met de accountant is onder druk komen te staan, vaststelling van de jaarrekening loopt vertraging op waardoor de vennootschap afspraken met de bank niet nakomt, en er bestaat ernstige onrust onder het personeel.

 

De Ondernemingskamer ziet daarin gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen en beveelt een onderzoek. Ook benoemt zij bij wijze van onmiddellijke voorziening een bestuurder die zo nodig in afwijking van de statuten een beslissende stem heeft, die zelfstandig de vennootschap kan vertegenwoordigen en zonder wie de vennootschap niet vertegenwoordigd kan worden. De aanwijzing van de onderzoeker wordt aangehouden om te bezien of de onmiddellijke voorziening al tot een oplossing leidt.

Het oordeel van de Ondernemingskamer op het uitstotingsverzoek

De Ondernemingskamer overweegt dat zij niet kan vaststellen of alle verwijten over en weer terecht zijn, maar dat wel vast staat dat beide broers een bijdrage hebben geleverd aan de situatie. De impasse schaadt volgens de Ondernemingskamer het belang van de vennootschap zodanig dat het voortduren van hun gezamenlijke aandeelhouderschap van de broers in redelijkheid niet kan worden geduld. De broers onderschrijven allebei de schadelijke impasse, maar kunnen niet samen tot een oplossing komen.

 

Nu alleen broer 1 een uitstotingsverzoek heeft gedaan en broer 2 ter zitting heeft verklaard dat hij de aandelen van broer 1 niet wil overnemen, vergt het belang van de vennootschap dat het aandeelhouderschap van broer 2 eindigt, aldus de Ondernemingskamer. Zij benoemt één deskundige om over de prijs te berichten, die uiterlijk na zes weken met een plan van aanpak en een begroting moet komen. De tijdelijke bestuurder mag het tevens tot zijn taak rekenen om de waarderingsdeskundige van voldoende en betrouwbare informatie te voorzien, aldus de Ondernemingskamer.

Opmerkingen bij de uitspraak

Het wettelijk criterium voor uitstoting is dat de betrokken aandeelhouder door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Er moet een causaal verband bestaan tussen het gedrag en de schade, en het belang van de vennootschap bij vertrek van de aandeelhouder moet worden afgewogen tegen (en zwaarder wegen dan) het belang van de betrokken aandeelhouder om te blijven zitten. Het is niet voldoende dat de vennootschap in het algemeen gebaat is bij het vertrek van de betrokken aandeelhouder.

 

De Ondernemingskamer stelt niet exact vast welke gedraging(en) van welke broer(s) in causaal verband staan met de schade aan de vennootschap. Zij overweegt slechts dat beide broers een bijdrage hebben geleverd en dat het voortduren van hun gezamenlijk aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kan worden geduld. Dat is een pragmatische oplossing. Het wettelijk criterium veronderstelt echter dat concreet wordt vastgesteld of de gedragingen van de betrokken aandeelhouder in causaal verband staan met de schade, en of diens belang om aandeelhouder te blijven in redelijkheid zwaarder moet wegen dan het belang van de vennootschap bij vertrek. De uitstoting van broer 2 wordt nu in feite bevolen op de praktische grond dat alleen broer 1 uitstoting heeft verzocht en dat broer 2 heeft verklaard niet zelf de aandelen te willen overnemen. De vraag is dan wat er zou zijn gebeurd als broer 2 ook uitstoting had verzocht en aandeelhouder had willen blijven. Het uitgangspunt bij uitstotingsverzoeken ‘over en weer’ is dat beide verzoeken worden getoetst aan de uitstotingsnorm. Haalt slechts één van de verzoeken de drempel voor uitstoting, dan wordt dat verzoek toegewezen. Als beide verzoeken de drempel halen (dus als het voortduren van hun beider aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet meer worden geduld) moet de rechter een keuze maken tussen één van beide verzoeken. Het belang van de vennootschap is de leidraad bij die keuze, hetgeen in lijn is met de strekking van de uitstotingsnorm (het beschermen van het belang van de vennootschap).

 

Een ander aandachtspunt is de aard van de gedragingen die aan de uitstoting ten grondslag worden gelegd. Broer 1 had zijn uitstotingsverzoek onderbouwd door te verwijzen naar zijn enquêteverzoek. De criteria voor beide regelingen zijn echter niet hetzelfde: onjuist beleid in enquêterechtelijke zin kan gelegen zijn in gedragingen van een aandeelhouder die ook grond geven voor uitstoting, maar dat hoeft niet. De geschillenregeling kent verder zoals gezegd een redelijkheidstoets die het enquêterecht niet kent. Ten slotte is in de nieuwe geschillenregeling het zogenaamde hoedanigheidscriterium weliswaar vervallen, maar schadelijk gedrag in een andere hoedanigheid dan aandeelhouder (bijvoorbeeld als bestuurder) betekent niet steeds en zonder meer dat ook het aanblijven van diegene als aandeelhouder in redelijkheid niet meer kan worden geduld. Afhankelijk van de casus zullen feiten die zijn gesteld ter invulling van de ene norm, dus wel duidelijk ‘vertaald’ moeten worden naar de andere norm.

Keywords

Enquêteprocedure
Geschillenregeling
Samenloop

Auteur(s)

Wouter Buikstra

Advocaat

DVDW

LinkedIn