10 Mar 2026
blog

Achterstallige huur; betalingsonmacht of betalingsonwil?

Blog

De rechtbank Oost‑Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2026:1088) oordeelde in februari 2026 over een conflict tussen een verhuurder en de (voormalige) bestuurders van een geturboliquideerde BV. De kern van het conflict was een huurachterstand. De verhuurder stelde dat de bestuurders persoonlijk aansprakelijk waren op grond van onrechtmatige daad. De verhuurder beriep zich daarbij op bestuurdersaansprakelijkheid volgens de maatstaf uit het bekende Ontvanger/Roelofsen-arrest van de Hoge Raad. Er zou sprake zijn van selectieve betaling/verhaalsfrustratie en betalingsonwil. De rechtbank zag dat echter anders. In deze blog bespreek ik waarom er volgens de rechter géén sprake was van een Ontvanger/Roelofsen-situatie.

Feiten

Eiser verhuurde jarenlang een bedrijfspand aan de desbetreffende BV. In het verhuurde werd een pool- en snookercentrum geëxploiteerd. De BV werd (middellijk) bestuurd door gedaagden. De huurovereenkomst eindigde in juni 2021, maar toen stonden nog enkele huurtermijnen open. De rechtbank stelde de huurachterstand op ruim € 90.000.

 

In januari 2024 sommeerde eiser de BV tot betaling. Een maand later volgde de turboliquidatie van de BV, waarbij het bestuur stelde dat er geen baten meer waren. Eiser startte vervolgens een procedure tegen de bestuurders persoonlijk tot betaling van de huurachterstand. Volgens eiser was sprake van betalingsonwil, selectieve betaling en een ondeugdelijke turboliquidatie. De bestuurders zouden persoonlijk een ernstig verwijt treffen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De gedaagden betwistten deze verwijten. Zij wezen erop dat de exploitatie jarenlang moeizaam verliep en dat andere crediteuren slechts werden betaald om het bedrijf overeind te houden. Er waren geen middelen om eiser te voldoen.

Drempel voor externe bestuurdersaansprakelijkheid

De rechter benadrukt het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar schulden en de daaruit voortvloeiende schade. Een bestuurder is terzake de benadeling van een derde slechts persoonlijk aansprakelijk onder bijzondere omstandigheden. Voor externe bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat het handelen of nalaten van een bestuurder ten opzichte van een derde zodanig onzorgvuldig is dat de bestuurder daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat volgt uit het Ontvanger/Roelofsen-arrest. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Denk bijvoorbeeld aan de aard en ernst van de normschending. De rechter haalt aan dat sprake kan zijn van een persoonlijk ernstig verwijt indien een bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en ook geen verhaal zou bieden voor de daaruit ontstane schade. Er wordt door de rechter meermaals verwezen naar Ontvanger/Roelofsen. Het was aan eiser om te bewijzen dat deze situatie zich hier voordeed.

Geen selectieve betaling aangetoond

De eiser voerde aan dat vanaf 2017 bewust niet meer was betaald door de BV. Er werden echter geen feiten door eiser aangehaald waarmee het willens en wetens bewerkstelligen van selectieve betalingen en/of verhaalsfrustratie kon worden bewezen. Er was tevens geen concreet bewijs dat de BV over middelen beschikte waarmee de huur wél had kunnen worden voldaan, noch dat andere crediteuren onterecht werden bevoordeeld. De gedaagden hebben gesteld dat de BV al jaren nauwelijks levensvatbaar was en slechts kon blijven draaien door noodzakelijke crediteuren te betalen. De rechter herhaalde het standpunt dat selectieve betalingen an sich niet onrechtmatig zijn. Het bestuur is in beginsel vrij om te bepalen welke schuldeisers in de gegeven omstandigheden worden voldaan, zo volgt uit het Zandvliet/ING-arrest van de Hoge Raad.

 

Deze vrijheid is beperkter als een vennootschap heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen. Volgens het Coral/Stalt-arrest van de Hoge Raad kunnen bijzondere omstandigheden voorkeursbetalingen echter rechtvaardigen. In de onderliggende zaak heeft de eiser onvoldoende feiten en omstandigheden getoond waaruit blijkt dat de selectieve betalingen onrechtmatig waren. Wél is aangetoond dat sprake was van een penibele financiële situatie bij de BV. Concreet bewijs waaruit blijkt dat de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt treffen, ontbreekt daarentegen. Zodoende lijkt slechts sprake te zijn van betalingsonmacht in plaats van betalingsonwil. 

Ondeugdelijke turboliquidatie?

Ook stelde eiser dat de turboliquidatie van de betreffende BV niet correct is uitgevoerd. Eiser werd zogezegd niet daarbij betrokken en er is geen rekening gehouden met zijn vordering. De rechtbank gaf aan dat het weliswaar netjes zou zijn geweest om eiser, die ook langdurig coulant is geweest ten aanzien van de huurachterstand, te betrekken bij de afwikkeling. Toch hebben gedaagden niet onrechtmatig gehandeld door eiser niet te betrekken of te compenseren bij de turboliquidatie. Op grond van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie moet het bestuur binnen veertien dagen na de ontbinding enkele documenten – zie artikel 2:19b BW – overleggen aan de Kamer van Koophandel.

 

Na deponering moet het bestuur daarvan een schriftelijke mededeling doen aan de schuldeisers. Het bestuur heeft géén plicht om bepaalde schuldeisers te betrekken en/of te compenseren bij de turboliquidatie. Er waren bovendien geen baten om eiser uit te voldoen. Een eiser dient volgens de rechtbank te onderbouwen hoe anders handelen door het bestuur tot betaling van de vordering had kunnen leiden. Ook het idee dat de letselschade uitkering, die aan een van de gedaagden in privé toekomt, moest worden gebruikt ter aflossing van de huurachterstand, werd door de rechtbank resoluut afgewezen. Een schadevergoeding in privé blijft privé. 

Conclusie

De rechtbank blijft met deze uitspraak dicht bij de lijn van Ontvanger/Roelofsen. Alleen als er persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, komt bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW in beeld. Zonder concreet bewijs van een onrechtmatige selectieve betaling/verhaalsfrustratie of betalingsonwil, dient de bestuurder niet als vangnet voor onbetaalde schulden van de vennootschap. In een situatie waarin selectief is betaald, moet worden bewezen dat de bestuurder willens en wetens heeft gestuurd op niet-nakoming en verhaalsfrustratie. Kan dat niet worden bewezen, dan is er geen sprake van een Ontvanger/Roelofsen-situatie. Betalingsonmacht duidt niet zonder meer op betalingsonwil. Het bestuur is in principe vrij om te bepalen welke crediteuren in de gegeven omstandigheden worden betaald.

 

In deze zaak kreeg de eiser het bewijs niet rond. Er was geen bewijs dat sprake was van het willens en wetens niet-betalen van de huurachterstand. Een schadevergoeding in privé hoeft niet te worden gebruikt ter aflossing van de huurachterstand. Het ging immers om huurverplichtingen van de BV. De turboliquidatie bood ook geen haakje voor aansprakelijkheid. Het bestuur heeft in beginsel alleen de plicht om een schriftelijke mededeling te doen van de turboliquidatie aan schuldeisers. Zijn er geen baten, dan is het actief betrekken of compenseren van een schuldeiser slechts coulant.

 

 

Keywords

Bestuurdersaansprakelijkheid
Ontvanger/Roelofsen
Selectieve betaling
Turboliquidatie
Verhaalsfrustratie

Auteur(s)

Inke Bours

Docente en promovenda ondernemingsrecht

Tilburg University

LinkedIn