Richtinggevende conclusie A-G De Bock: Hoge Raad aan zet bij uitleg WAMCA
Blog
Bij de invoering van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) liet de wetgever op punten ruimte voor invulling door de rechtspraak. Die ruimte heeft geleid tot aanzienlijke discussie. De procedure van Stichting The Privacy Collective (TPC) tegen Oracle en Salesforce leidde als één van de eerste WAMCA-procedures tot belangwekkende uitspraken over onder meer ‘likes’ als steun (Rb. Amsterdam 29 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7647) en het representativiteits- en gelijksoortigheidsvereiste (Hof Amsterdam 16 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1651).
De procedure levert ditmaal nieuwe inzichten op via de conclusie van A‑G De Bock (concl. AG De Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129). In dit blog bespreken wij deze conclusie, met aandacht voor de representativiteit, de gelijksoortigheid, de verhouding tussen de AVG en de WAMCA en het terugwijsverbod.
De procedure
TPC heeft ten behoeve van miljoenen internetgebruikers collectieve vorderingen ingesteld wegens onrechtmatige persoonsgegevensverwerkingen. Volgens TPC stellen Oracle en Salesforce gedetailleerde profielen op door gegevensverzameling via cookies, en exploiteren zij deze profielen commercieel voor het tonen van advertenties. TPC vordert vergoeding van de materiële en immateriële schade, waaronder het verlies van controle over persoonsgegevens. De rechtbank heeft TPC niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep is TPC ontvankelijk verklaard, waarna het hof tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld.
Representativiteit
Een belangrijke rode draad in deze procedure is het representativiteitsvereiste uit artikel 3:305a lid 2 BW, dat voortvloeit uit het waarborgvereiste van lid 1 van dit artikel. Een belangenorganisatie moet ‘voldoende representatief’ zijn voor de nauw omschreven groep belanghebbenden, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Het representativiteitsvereiste strekt ertoe de belangen van belanghebbenden te beschermen.
A-G De Bock begint met een bespreking van de (geringe) rechtspraak van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat er niet één allesbepalend criterium is voor de beoordeling van het representativiteitsvereiste; alle relevante omstandigheden kunnen worden meegewogen (par. 6.24).
Tegen deze achtergrond overweegt de A-G dat zowel kwantitatieve argumenten (bijvoorbeeld het aantal steunverklaringen of ‘likes’) als kwalitatieve argumenten (bijvoorbeeld steun van maatschappelijke organisaties) relevant zijn. Daarbij laten hoge eisen aan de omvang van de achterban zich moeilijk verenigen met het uitgangspunt dat alle omstandigheden meewegen en het hoofddoel van de WAMCA, dat is gelegen in het bevorderen van een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade. Dit geldt voorts voor een indringende toets in de ontvankelijkheidsfase of de personen die de actie steunen daadwerkelijke benadeelden zijn. Opvallend daarbij is de opmerking van de A-G dat een te hoge drempel voor representativiteit zich niet verhoudt tot het opt-out-systeem van de WAMCA (par. 6.35).
In het licht van deze uitleg van het representativiteitsvereiste blijft het oordeel van het hof dat TPC voldoende representatief is in stand (par. 6.59).
Gelijksoortigheid
In WAMCA-procedures kan veel discussie ontstaan over het gelijksoortigheidsvereiste uit artikel 3:305a lid 1 BW, dat vereist dat de te bundelen belangen voldoende gelijksoortig zijn. De feitelijke en rechtsvragen moeten daarbij in voldoende mate vergelijkbaar zijn. Het is niet noodzakelijk dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden. De vraag is of de rechter het gelijksoortigheidsvereiste in de ontvankelijkheidsfase indringend moet toetsen.
Volgens A-G De Bock hoeft de rechter in deze fase van de procedure geen definitief antwoord te geven. De rechter kan volstaan met een inschatting, waarbij hij noodzakelijkerwijs vooruitblikt op een inhoudelijke beoordeling. In de schadefase kan de gelijksoortigheid nader worden bekeken, waarbij zo nodig met categorisering kan worden gewerkt (par. 7.26-7.27).
AVG en WAMCA
In WAMCA-procedures komt de vraag op hoe artikel 80 AVG en artikel 3:305a BW zich tot elkaar verhouden. Beide artikelen regelen namelijk de belangenbehartiging van betrokkenen. Specifiek betreft het de vraag of het mogelijk is om een collectieve vordering tot vergoeding van schade in te stellen wegens een AVG-schending, zonder een expliciete opdracht van belanghebbenden aan een belangenorganisatie (par. 12.15). Over deze vraag is veel discussie in de literatuur en inmiddels zijn hierover door de rechtbank Rotterdam in de Amazon-zaak (Rb. Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het hof gaat ervan uit dat deze vraag in de inhoudelijke fase aan de orde moet komen. Ook A-G De Bock meent dat deze vraag niet hoeft te worden beslecht in de ontvankelijkheidsfase, aangezien dit niet volgt uit de AVG (par. 12.31-12.32). A-G De Bock beschrijft bovendien dat het aan de lidstaten is overgelaten om artikel 80 AVG in het nationale recht nader vorm te geven en uit te voeren (par. 12.34).
Terugwijsverbod
Na de ontvankelijkverklaring van TPC wees het hof de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. Daarmee maakte het hof een uitzondering op het terugwijsverbod. Het hof achtte dat gerechtvaardigd aangezien op louter processuele gronden niet was toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak (r.o. 2.3.2-2.3.4. van het arrest). De A-G concludeerde dat die uitzondering niet geldt in WAMCA-procedures. Daartoe overwoog de A-G als volgt.
Allereerst betreft de ontvankelijkheidstoets veel meer dan een enkele ‘processuele toets’ (par. 13.30). Deze beoordeling vergt op vrijwel alle aspecten een beoordeling van feitelijke en juridische vragen. Er bestaat geen principieel verschil tussen een niet-ontvankelijkverklaring van een vordering in een WAMCA-procedure en een partij in een reguliere (civiele) procedure. Het enige verschil is dat partijen in een reguliere procedure al inhoudelijk verweer hebben gevoerd. In een reguliere procedure geldt het terugwijsverbod. Het argument dat terugwijzing in WAMCA-procedures parallelle procedures voorkomt, overtuigt volgens de A‑G niet. Terugwijzing kan juist nieuwe complicaties veroorzaken wanneer de rechtbank al verder is gegaan met de inhoudelijke behandeling.
Doorslaggevend lijkt voor de A-G dat een uitzondering op het terugwijsverbod in WAMCA-procedures moeilijk te verenigen is met de bevindingen in het evaluatierapport van het WODC over de lange duur van de procedure. Door terugwijzing duurt een WAMCA-procedure (nóg) langer en raakt de doelstelling om een efficiënte en effectieve 305a-actie in te richten (nóg) verder uit zicht. In de afweging tussen het belang van een efficiënte procesgang en het belang van een behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties, dient volgens de A-G het eerste belang zwaarder te wegen (par. 13.45).
Slotbeschouwing
Uitspraken van de Hoge Raad in WAMCA-procedures zijn nog schaars. Duidelijk is in ieder geval dat één gedachte terugkomt op nagenoeg alle punten in de conclusie, namelijk dat WAMCA-procedures te lang duren en dat stappen moeten worden gezet om een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade te waarborgen. Deze conclusie kan daarmee een belangrijke koersbepaler voor WAMCA-‑procedures zijn. De uitspraak van de Hoge Raad staat gepland voor 26 juni 2026. De vraag is of de Hoge Raad zich met alle punten van de conclusie kan verenigen, waaronder de vraag of de afwijkende aard en inrichting van een WAMCA-procedure (met een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase) de toepasselijkheid van het terugwijsverbod niet terzijde schuift.
Keywords
Auteur(s)

