Turboliquidatie kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid als onzorgvuldig wordt omgesprongen met de belangen van schuldeisers
Blog
Op 11 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een kwestie waarin de (indirect) bestuurders van een BV persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld voor het selectief betalen van schuldeisers van de door hen bestuurde vennootschap. Na een verkoop van aandelen waarbij in de koopovereenkomst een contractuele betalingsverplichting is aangegaan, blijft betaling aan die schuldeiser vanaf oktober 2022 uit. Terwijl hierover een procedure aanhangig is, worden de activiteiten van de vennootschap op wie de betalingsverplichting rustte aan een derde overgedragen en wordt de vennootschap geturboliquideerd. De schuldeiser wordt daar niet van op de hoogte gesteld. De (indirect) bestuurders van de vennootschap wordt vervolgens door deze schuldeiser een ernstig persoonlijk verwijtbaar handelen verweten. Wat is het oordeel van de rechtbank?
Casus
Eiseres (‘Holding’) heeft in juni 2020 alle aandelen in het kapitaal van Forza Unita B.V. verkocht aan bedrijf 2, die toen nog in de oprichtingsfase zat. De (indirect) bestuurders van bedrijf 2 waren gedaagde 1 en bedrijf 1 (‘de gedaagden’). In de koopovereenkomst is bepaald dat de bestuurder en enig aandeelhouder van Holding vanaf de levering van aandelen tot 4 december 2023 één dag per week beschikbaar zouden blijven voor bedrijf 2 tegen betaling van een maandelijkse beloning van € 2.500,00,-. Deze beloning is vanaf oktober 2022 niet meer aan Holding betaald.
Hierop heeft Holding bij dagvaarding van 31 maart 2023 een vordering ingesteld tegen bedrijf 2 tot nakoming van deze betalingsverplichting uit de koopovereenkomst. Vervolgens heeft er op 27 juni 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarna de uitspraak is uitgesteld vanwege een wrakingsverzoek van Bedrijf 2. Dit wrakingsverzoek is op 21 augustus 2024 afgewezen en bij aandeelhoudersbesluit is op 30 augustus 2024 bedrijf 2 geturboliquideerd (art. 2:19 lid 4 BW). Holding wordt van dit aandeelhoudersbesluit niet op de hoogte gebracht. Volgens de formulieren die de Kamer van Koophandel heeft ontvangen zijn de activiteiten met de daaraan verbonden goodwill overgedragen aan een samenwerkinspartner per 1 juli 2023. Op 25 september 2024 wordt bedrijf 2 veroordeeld door de rechter om € 42.350,00,- met rente en kosten aan Holding te betalen voor het niet voldoen aan de verplichting uit de koopovereenkomst. Op de hierop volgende sommatie van de advocaat van Holding (op 26 september 2024) wordt door de advocaat van bedrijf 2 op 3 oktober 2024 medegedeeld dat bedrijf 2 is ontbonden en dat er geen betaling gaat plaatsvinden.
Holding vordert het volledige bedrag, te weten € 56.542,44,- van bedrijf 2. Aan deze vordering legt Holding ten grondslag dat gedaagden als (indirect) bestuurders ernstig verwijtbaar hebben gehandeld door de incasso moedwillig te vertragen, geen transparantie hebben betracht en uiteindelijk misbruik van de mogelijkheid van turboliquidatie hebben gemaakt.
Beoordeling rechtbank
Turboliquidatie is alleen toegestaan wanneer een vennootschap bij ontbinding geen baten heeft. Sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie (15 november 2023 (abusievelijk staat in de uitspraak 15 maart 2023 vermeld) gelden bovendien aanvullende informatie- en meldplichten. Zo moet het bestuur inzicht geven in het ontbreken van baten, de eventuele verkoop van activa, de verdeling van opbrengsten en de redenen waarom schuldeisers onbetaald zijn gebleven. Ook dienen de bestuurders dit onverwijld aan de schuldeisers van de vennootschap mede te delen.
De rechtbank stelt vast dat de bestuurders niet aan deze transparantieverplichtingen hebben voldaan. Hoewel de activiteiten en goodwill van de vennootschap waren verkocht, werd geen duidelijkheid verschaft over de koopprijs, de besteding daarvan en de selectie van betaalde schuldeisers. De benadeelde schuldeiser was niet geïnformeerd, terwijl andere schuldeisers wél waren voldaan. Daarbij speelde mee dat de verkoop en de latere turboliquidatie plaatsvonden terwijl een veroordelend vonnis voorzienbaar was.
Volgens de rechtbank wijst dit alles op selectieve betaling, gebrek aan transparantie en betalingsonwil. De turboliquidatie is door (de bestuurders van) de vennootschap ingezet om zich aan een schuldeiser te onttrekken. Dat levert een ernstig persoonlijk verwijt op aan het adres van de bestuurders.
In deze procedure kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, omdat gedaagden de informatie over de opbrengsten en schulden niet hebben gedeeld. De rechtbank stelt daarom de omvang vast op het gehele gevorderde bedrag van € 56.412,29,-. In deze vaststelling is ook meegenomen dat gedaagden onvoldoende transparant zijn geweest in hun informatieverstrekking, waardoor zij het vermoeden van misbruik van de turboliquidatie niet hebben weggenomen. Daarbij was voor de rechtbank van belang dat de betreffende informatie in het domein lag van gedaagden en zij om die reden de stelling van de schuldeiser dat gedaagden het verhaal illusoir hebben gemaakt voor het gehele bedrag tot betaling waarvan de vennootschap bij vonnis van 25 september 2024 is veroordeeld niet slechts betwisten met de opmerking dat het op de weg van de schuldeiser had gelegen om haar stellingen op dit punt goed uit te werken.
Afsluiting
Deze uitspraak onderstreept dat de turboliquidatie geen wondermiddel is om (de gevolgen van het niet voldoen aan) betalingsverplichtingen te kunnen ontlopen. De rechtbank maakt duidelijk dat bestuurders die selectief betalen en onvoldoende transparantie betrachten, persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden.
Hoewel de rechtspraak over deze tijdelijke wet nog vrij beperkt is, laat deze zaak zien dat rechters streng toetsen of aan de transparantieverplichtingen is voldaan en bereid zijn vergaande gevolgen te verbinden aan schending daarvan. Dat is voor schuldeisers die na een turboliquidatie met hun vordering achterblijven een positieve en wenselijke ontwikkeling. Dit versterkt immers hun positie en kan ertoe leiden dat turboliquidatie minder geschikt wordt voor misbruik. Bestuurders doen er goed aan zich te realiseren dat gebrek aan openheid niet alleen leidt tot bewijsvermoedens tegen hen, maar ook tot aansprakelijkheid voor de schade die daardoor ontstaat.
Keywords
Auteur(s)
