09 Aug 2026
blog

Een wiebelende tafel en een stevig pandrecht: bestuurdersaansprakelijkheid bij startups

Blog

Introductie

Op 10 juni 2026 wees de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:5465) een interessant vonnis over bestuurdersaansprakelijkheid na het faillissement van een startup. De curator stelde dat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk was voor het volledige faillissementstekort, maar de rechtbank oordeelde dat het genomen ondernemersrisico in dit geval paste binnen de risico's die inherent zijn aan innovatieve startups. Slechts voor een beperkt aantal selectieve betalingen werd de bestuurder aansprakelijk gehouden.

 

Eén onderwerp verdient bijzondere aandacht: de vestiging van een pandrecht op een (nog aan te vragen) toekomstig octrooirecht als zekerheid voor financiering.

Geen onverantwoorde wijze van financiering bij startup

De startup in kwestie ontwikkelde een systeem tegen wiebelende tafels. In de opstartfase trok de startup op meerdere momenten financiering aan om in de werkkapitaalbehoefte te voorzien, onder meer via achtergestelde geldleningen van aandeelhouders en derden, een en ander goed voor een bedrag van meer dan €750.000. Bij één van die leningen werd tot zekerheid een pandrecht gevestigd op de octrooirechten die de onderneming nog moest verkrijgen, terwijl de octrooiaanvraag op dat moment nog niet was ingediend.

 

Volgens de curator was de vennootschap op onverantwoorde wijze belast met financieringen en zekerheden en zag de primaire vordering op kennelijk onbehoorlijk bestuur als oorzaak van het faillissement op grond van artikel 2:248 BW. Voor aansprakelijkheid is vereist dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement vormt. Bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid geldt als maatstaf dat geen redelijk handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld (o.m. HR 8 juni 2002; NJ 2001/454, Panmo).

 

De rechtbank volgt het verwijt van de curator niet. Bij een startende onderneming met beperkt eigen vermogen is het niet ongebruikelijk dat zij is aangewezen op vreemd vermogen. Achteraf gebleken onjuiste beleidsbeslissingen of gemaakte fouten leiden niet vanzelfsprekend tot onbehoorlijke taakvervulling. Ook het vestigen van een pandrecht op octrooirechten als zekerheid, evenals een rentevergoeding van 6 procent, achtte de rechtbank niet ongewoon. De financieringen waren verstrekt tegen gebruikelijke en marktconforme voorwaarden. Het bestuur had kosten gereduceerd en actief gezocht naar externe financieringsmogelijkheden. Van roekeloosheid of ernstige onbekwaamheid was geen sprake.

De vorderingen van de curator werden grotendeels afgewezen.  Het bestuur werd wel veroordeeld tot vergoeding van selectieve betalingen aan de holding en gelieerde partijen, wegens persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen van de bestuurder. De inhoud hiervan blijft in deze blog verder onbesproken.

Vestiging pandrecht op een toekomstig octrooi

Een startup die een nieuw product ontwikkelt, maakt doorgaans kosten vóórdat een stabiel bedrijfsresultaat wordt gerealiseerd. Dat een externe financier zekerheden verlangt, is evenmin ongebruikelijk. Bij innovatieve ondernemingen wordt de ondernemingswaarde in belangrijke mate bepaald door ontwikkelde technologie, intellectuele eigendomsrechten (zoals auteurs-, octrooi-, merk- en modelrechten) en de daarmee verbonden knowhow.

 

In deze zaak vestigde de externe financier een pandrecht op octrooirechten die de startup nog moest verkrijgen. Het vestigen van een pandrecht op een toekomstig goed is in algemene zin niet uitgesloten. Ook verpanding van een octrooiaanvraag of aanspraak op octrooi wordt in de literatuur mogelijk geacht. De wettelijke grondslag daarvoor ligt in artikel 3:97 lid 1 BW, dat bepaalt dat toekomstige goederen bij voorbaat kunnen worden geleverd en artikel 3:98 BW, een schakelbepaling dat ziet op de regels voor overdracht overeenkomstig van toepassing zijn op de vestiging van beperkte rechten, zoals het pandrecht.

 

Een pandrecht op een toekomstig octrooirecht kan reeds vóór het ontstaan van het octrooirecht worden gevestigd. Dat is mogelijk omdat een octrooirecht geen registergoed is in de zin van artikel 3:10 BW. Voor een verleend octrooi gelden vervolgens de bijzondere bepalingen van de Rijksoctrooiwet 1995, waaronder de vereiste inschrijving in het octrooiregister voor derdenwerking.

Conclusie

Tot zover is de benadering van de rechtbank begrijpelijk. De rechtbank oordeelt ten aanzien van het pandrecht op de toekomstige octrooirechten dat het aantrekken van externe financiering, waarbij zekerheid wordt verstrekt op een onzeker toekomstig actief, gelet op de aard van de startende onderneming en de financieringsbehoefte van startups, niet kan worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Bestuurders van startups mogen risico’s nemen en beslissingen maken die achteraf bezien niet succesvol blijken te zijn.

 

Het was interessant geweest indien de rechtbank, naast de beoordeling vanuit het perspectief van bestuurdersaansprakelijkheid, ook aandacht had besteed aan de juridische positie van de financier ten aanzien van een pandrecht op een toekomstig octrooirecht. Een dergelijke beoordeling had meer duidelijkheid kunnen geven over de grenzen en mogelijkheden van het vestigen van zekerheid op toekomstige intellectuele eigendomsrechten bij innovatieve ondernemingen.

Keywords

Bestuurdersaansprakelijkheid
Octrooi
Pandrecht
Start-ups
Startende onderneming

Auteur(s)

Erwin Meering

Advocaat bij Van Till Advocaten 

LinkedIn